Broedafleggers

Vertaald door G. van der Sluis en bewerkt door G.C. van Eizenga en A.H. de Witt

 

De voordelen van broedafleggers in het voorjaar

            De stap van het gebruik van afleggers op hele ramen naar permanente teelt­vol­ken is niet groot. De eenvoudigste methode is het gebruik van tienraams broedkamers die door midden wordt gedeeld met masonie­tplaatje. In dit geval zijn vijf ramen aan iedere zijde met een volks­sterkte die groot genoeg is om een koningin te onderhouden. Er hoeft dan ook niet gevreesd worden dat de overwin­tering een probleem zal zijn. Beide kleine volken vormen uit het gezichtspunt van warmte­huishouding één geheel. De vraag is natuurlijk of dit systeem lonend is.

            Laten we eens kijken hoe zulke permanente konin­ginnenaf­leggers moet verzor­gen gedu­rende het bijenjaar en daarna proberen problemen te beantwoorden. Wanneer ik twee gepaarde jonge koninginnen heb over­winterd, dan verkeer ik in het voorjaar in een voor­delige positie. Vanaf  het begin van de bloei van de paardenbloem tot ongeveer de midzomer begint, is het absoluut de beste periode voor het om­wisselen van de konin­gin­nen. In de produc­tievolken waarvan het duidelijk is ziet dat de koningin­nen vervangen moeten worden, gebeurt dat nu het gemak­ke­lijkst door het raam waar de konin­gin opzit, te verwisselen tegen een raam met de koningin van een aflegger. Het is dan ook gemak­kelijk om een of twee ramen met jonge bijen en broed erbij te doen. De aflegger wordt hierdoor kleiner tot drie ramen en krijgt een oude koningin. Hebben ze voer en genoeg bijen en dan hebben wij geen probleem tot we beginnen met de koninginnen-teelt. Vijf tot zes dagen voordat de eerste koninginnencellen klaar zijn, doden we de oude koningin van de afleg­ger en een paar dagen voordat de geteelde koninginnencellen klaar zijn om uit te lopen, hangen we ze in de aflegger. Nu kunnen we de koninginnencellen die de bijen zelf hebben opge­trok­ken, uitbreken, maar dit is meestal niet eens nodig. De nieuwe koningin loopt uit in een werkelijk klein volk, ze paart en ze gaat eieren leggen. De verzorging blijft minimaal. Als ze werkelijk op gang komt, dan hangen we er lege ramen in zodat de aflegger kan groeien tot vijf ramen. De koningin kan door­gaan tot we haar nodig hebben (eventueel tot het volgende jaar).

            Natuurlijk moeten we af en toe contro­leren of de aflegger sterk genoeg is en ze mag ook niet al te sterk worden. Een overschot aan bijen is echter geen pech! Er is altijd wel ergens plaats voor! Het is ook mogelijk om een of twee ko­ninginnen in dezelfde aflegger te bevruchten. Dan moet er rekening mee gehouden worden dat ze een opbouwperiode (uitbouwperio­de) met de laatste koningin nodig hebben. Deze mag niet later beginnen met het leggen van eieren dan de laatste week van juni!

            Wanneer het voor­jaar erg laat is, heb je in ieder geval een reserve aan ko­ninginnen en bijen. Moerloze volken kunnen worden gered en zwakke worden versterkt. Het blijft mogelijk om het seizoen tegemoet te treden met volken van gelijke en volle sterk­te. Natuurlijk kan het ook gebeuren dat er geen behoefte bestaat  aan een overwin­terde koningin. Dan kunnen gezonde (verse) afleggers en koninginnen verkocht worden voor een goede prijs in het begin van mei.

            Laat deze gedachte je niet hinderen om na te denken over de methode van de permanente teeltvolken. Het kostenplaatje komt hierbij om de hoek kijken. Vooral als er aan het grote voordeel gedacht wordt dat er altijd reservevolken (koningin met bijen) aanwezig zijn die het geheel veel meer de moeite waard maken.


De methode van werken

            Hier gaat het ongetwij­feld om een grote besparing van arbeids­tijd. De enige arbeid die meer gedaan moet worden met deze perma­nente teeltvolkjes, is de inwintering. Ik ben van mening dat deze gemakkelijk weg te cijfe­ren zijn tegen het werk om voerdeeg te maken, de EWK's schoon te maken en het onderhoud na het seizoen. Wanneer je koninginnen wilt paren voor eigen gebruik, dan moet je deze methode eens overwegen. Heb je daarnaast de moge­lijkheid voor een plek voor deze teeltvolken waar je kunt rekenen op een goede bevruchting, dan heb je een "bijzonder geluk". Het meest bekende systeem van overwinteren is wat ge­bruikt wordt op het bevruchtingsstation Dartmoor van de Buckfast Abdij: er wordt overwinterd op 4 halve Dadantra­men (een eerste selectie). Pogingen van navolging van dit systeem hebben in Zweden zeer goed resultaat opgeleverd. En ik geloof dat een systeem dat voortbouwt op hele ramen het eenvoudigst en meest arbeids­bespa­rend is voor degenen die uitkijken naar een groots opgezette koninginnenteelt. Vooral voor diege­nen die zijn eigen gebruikskoninginnen wil telen.

UG, Løderup, april 1994